Skip to main content
  • Archivaris
  • 417

de gebraden eend (11)

... of Eric en 't kleine kuiken



We zijn er helemaal voor in de stemming na de derde dinsdag in september, we willen nu ook maar eens een sprookje vertellen. Geen moeilijke zaken, geen gebraden eenden die zwaar op de maag vallen, maar een feestaflevering.

door Arnold M. Meijer

De elfde aflevering en dat heeft een bijzondere betekenis, we zullen ons dus niet buigen over de pogingen van de Bossche middenstand oud-politici en nieuwe makelaars om parkeergarages in DenBosch te bouwen, betonnen kuipen die men in geen dertig jaar af kan betalen, niet onze aandacht richten op de oud-bossche Groentehandelaar en kapitein-groot-lobbyist en vechtend middenstander N. de N,, neen we vertellen dit keer een gezellig sprookje met gouden rand. We melden er tegelijkertijd maar bij dat alle relaties met de harde werkelijkheid van kopen en verkopen volkomen ontsproten zijn aan de po√ętische verbeelding van de lezer.
Kijk, lezer U moet achteraf dus niet bij Gert komen aanzetten met een meester en klagen dat we U vals hebben aangevallen in mijn verhaal. We roepen daarom vooral luid en duidelijk: dit is een sprookje en alle gelijkenis met levende personen van onbesproken gedrag of situaties die niet de Telegraaf haalden is geheel en al, buitengewoon toevallig. We zijn niet verantwoordelijk voor dat toeval, daarvoor moet men bij de premier zijn die na drie jaren ernstige crisis en meshalen ons verzekert dat het nu weer goed gaat door zijn scalpelkunst. Of is het scalpeerzucht aan de onderkant? Nog een rondje snijden? Mag het een onsje meer zijn? Maar genoeg, nu het sprookje dus.

Er was een land met een illuster vorstenpaar. Hij heette Boy van Noordenstein en was heel tof, en zij heette Nixje, want ze kwam uit een meerminnenland, ze hield heel van de burgers namelijk net als lieve moesje, en kwam als Nixie uit de hemelsblauwe zee. Nixie bij de Gratie van God, gratis goddelijk, zogezegd. Maar ja dat goddelijk en dat hemelsblauw dat zagen de stedelingen niet, daar waren hun oogjes niet op ingesteld. Dat komt omdat dit verhaal lang geleden speelt in de tijd van Omeros. Al die kabeltjes in hun netvlies stuurden toen de boodschap wijnrood naar de hersenen. Ze zagen blauw, maar het werd hun rood in de ogen. Z heette dus het kind. Nixie van Wijnrood. Sommige dorpelingen van Hagerprekendam noemde haar ook wel Nixje Bordootje. Dat berichtten althans de kronieken, al gelooft tante Agaath dat ze Brigietje Bardootje bedoelden. Mijn pleiter gokt op meer op boldootje, want deze meermin ruikt altijd fris, er valt geen vies luchtje rond haar te bekennen. Daar zorgt de grootvizier van dienst wel voor. Is het dus geen mooi meisje die Nixie, zei men, ook al was ze inmiddels wat ouder en gleed ze strammer van de besneeuwde hellingen. Heel aandoenlijk vond men, al vond Nixie het vervelend, maar tegen die stramheid was geen botox 'gewachsen' - zeiden Boy en Brenno. Maar Nixie kon zich ook geweldig opwinden, tegen Felix haar zoon bijvoorbeeld als ze hem tegenkwam in de antichambre - dat is deftig Haagprekendams voor wachtkamer. Dus het is niet de wachtkamer van de tandarts met zijn krijsende boortje, en evenmin de wachtkamer van het huis van Bewaring in Borskodukidam of Sjeveningen, neen de antichambre is de wachtkamer naar de macht. 'Felix,' zei Nixje op een dag in september - ja want ook in de oudheid waren er daagjes in september en kwam de r weer bibberen, 'Felix' - zei Nixie - 'ik moet die slobber uit het zuiden niet, hier komt geen zuidenwijn de deur in, ik moet die vieze Moesel Royaal niet op het bordes, of aan tafel, zittend, staand, liggend of wat dies meer zij. Dat is 'drink for the dogs.' Ja, dat zei ze, want in kringen rond Boy van Noordenstein wordt uitsluitend Engels en Diets gesproken, in verschillende varianten. 'Damn the Moesel,' zei Felix die liever pils drinkt. 'Wat doen we er toch aan' vroeg Felix aan zijn mamsie. 'We zeggen,' stak ze haar vermaarde vingertje met saffieren ringen in de lucht, 'dat het niet mag. We decreteren dat Moesel ongeoorloofd is, en dat die Zuidenwijn is uitgeschonken aan een paar bladmuskieten. Hij heeft daarvoor geen vergunning en dat is strafbaar, hoogst, hoogst strafbaar. Stel je voor iedereen wijn zou gaan schenken en zich Koninck of Prinsch gaan noemen, zonder vergunning a of b, zo zou men de kwaliteit van het eigen huismerk, die Bordeau superieure uit onze strandmeerse tuinen kunnen ondermijnen. Neen dat mag niet, Felix. Onder geen enkel, miniem of groot beding.
'Eenmaal andermaal verkocht,' mompelde de sterke arm achter de troon. 'Parbleu, vraag het maar aan minister Hein Kantvanklerk,' toastte Felix. 'De Moesel uit het zuiden vinden wij anders heel drinkbaar, merkte Agaath op dit punt balorig op. Ze wilde verdomme het sprookje overnemen, wat mijn pleiter me sterk afraadde. 'Van uitspraken van rijke dames daar komen alleen maar ongelukken van,' waarschuwde ze terwijl ze driftig haar mooie hoofdje schudde, dat gaat je bezuren.' 'Van wijn komt ook azijn, bedoel je als extra-huisvrouw, die niet aan het aanrecht blijft plakken.' 'Ik mag toch wel zeggen dat we eerder door het oog van de naald zijn gekropen,' kneep ze gemeen in mijn onderarm. 'Vooruit dan maar,' antwoordde ik want die duizenden euro's die weglekten uit de kas van Kleintje die voelen we natuurlijk wel al was het maar omdat bedelen ook arm maakt. 'Ik verzekerde, alles wat we zeggen is niet relevant, lief, en heeft dus niets te maken met enige levende personen of bestaande gebeurtenissen.' 'Dus terug naar Haagprekendam. In de jaren zestig van de vorige eeuw, zo meldde NHC, de Nieuwe Haagprekendamse Courant, werd Eric Moesel geboren. Neen, Ericje werd niet door een ooievaar bezorgd of stiekem door een Oek-oek in het aquarium van Nixie gelegd, wat boze tongen rondom haar weleens willen beweren, Eric werd echt geboren. Die arme jongen heeft dus een paatje gehad, maar moeder kon geen slokje zuidenwijn verdragen. Want mamsie wilde geen prik in de neus na ieder openbare afdronk. De vader van Eric was immers goed met de jongens die op strandje met een opblaasbal stiekem speelden. Bovendien kende senior, die een krachtige zuidenwijn was, ook nog een mijnheer Grouwmaat. En tevens was, en en dus, en, dikke maatjes met de staf van het Bankiershuis Hopeloos de Flappos. Dat voorspelde niet veel goeds en de bank ging dus onderuit, op zijn achteruit en verloor wat bankflappen. Daar doorheen scheerde allerlei luitjes uit de onderbuikregionen, de zogenaamde maatschappelijke schaamdelen die men maar beter bedekt kunt laten. Er zou eens een geheimheer, een Heerenmaat uit dat ondergoed kunnen hangen, of een Haagse Preekhagendammer magnaat als Reinier van Schwollensman. Nou was die Grouwmaat al erg genoeg, meende de grootvizier van Nixie, die ook niets had met de bruine boenwas van Brenno. 'Verrek,' trok tante Agaath aan mijn arm, 'ik moet toch eens even iets zeggen, Arnold. Neen, je onderbreekt me niet,' waarschuwde en wees naar de secretaire met haar laatste wil en testament. 'Dit verhaal herinnert me aan een ander verhaal.' Mijn advocaat begon opnieuw wild het hoofd te schudden, maar ik liet me gijzelen. Mijn advocaat poogde nog: 'Daar krijg je ongelukken van Arnold.' 'Ach,' antwoordde ik in een grootmoedige bui. Ook supersenioren moeten zo hun zegje kunnen doen,' zei ik. 'Vooruit Agaath voordat U de laatste wind door de pijp uitblaast. Hier met uw geit, en stoot maar tegen het hekkie an. Maak van deze scheet een donderslag.' Bah, Arnold. Ik zie wel waar je bent geweest, in dat vieze stamineke waar die Bossche politicus, uhhh, uhhh, altijd komt en hangt.' 'Nou niet dralen, begijnte, kom op met je verhaal anders ga ik verder met mijn sprookje dat nog lang niet uitgeblazen is door een olifant.' 'Ik heb nog een juridische bijsluiter,' sprong mijn advocate in plooirok over haar bureau heen, een machtig gezicht man. 'Iedere gelijkenis met jouw sprookje,' hijgde ze, 'is louter toevallig en ontsprongen aan het lyrische brein van uw lieve tante Agaath.' 'Zij kan wel honderdduizend betalen,' haalde ik mijn schouders op. 'Zo driest zijn we niet, vriendin. We durven nog niet te beweren dat Paultje van Welleven ulevellen en droplolly's aanneemt omdat hij ze niet kan kopen met zijn armzalig salaris als politicus Ja, je wilt de zoetheid van je bestaan toch ook wat opvijzelen? En hij mag van mij. Niet waar. Maar daar doen we niet aan mee. Stel je voor, dat zou smaad zijn en laster. Beginnen we helemaal niet aan, kost een ton of zo, minstens. En komen we in het nieuws terecht net als mijn redacteur Gertgrootglas. 'Laat me nou uitpraten,' wierp Agaath mij een boze blik toe. 'Je bent nog niet eens begonnen,' verweerde ik me. 'Nou,' zei Agaath, 'ik kwam in de jaren zestig weleens op feestjes in het Haagse, want ik zag er toen nog heel aardig uit.' 'Wat heeft er dat nu weer mee te maken,' zuchtte ik na deze heerlijke logica. 'En dat vond je oom trouwens ook,' knikte tante gebelgd. 'Hij was heel erg bevriend met Reinder Z. (naam bekend bij de redactie) die weleens een soireetje hield. Sta ik een avondje keuvelen met een heel aardige lange man,' tante sloeg haar ogen ten hemel om het goddelijke karakter van dit gepalaver te onderstrepen, 'was ik toch helemaal weg van die man.' 'Dat geloof ik,' glimlachte ik verdraagzaam want je moet verhalen een beetje de lijn geven, en niet bij het uitren of het poepveldje ongeduldig voortsleuren. Daar krijg je constipatie van. Kijk maar naar die TV als er weer eens praatprogramma is. 'Arnold, schnauze.' 'Ik houd mijn mond, ik houd mijn mond,' verzuchtte ik. 'Maar,' ging tante verder, 'blijkt die man in de oorlog fout te zijn geweest. Heel fout, maar zegt Reinder tegen mij nog, hij was ook goed, want hij kon heel stiekem zijn voor de goede kant. Daarom mocht die charmante man voor Reinder komen werken. Oh, zo charmante man, kinderen. En zo mooi.' 'Heel mooi en zuiver,' zei ik, 'een echte veiligheidsspeld voor broekophouders en Duitse afzakkers. Sicherheitsdienst-connecties. Ik had het sujet eenmaal ontmoet op een avond bij oom en tante, en dacht even 'wat moet die kerel van ons, want hij stond erbij of hij onze zakken ging doorzoeken.' Het sujet was, hoorde ik later van mijn vader, ook lid geweest van het clubje van ene Otto Schorseneren die de Prinsch heel goed kende. Sektie stiekemenie.' 'Ja,' raaskaalde Agaath verder die niet om details maalt, 'en hij kwam ook in vorstelijke kringen, en kende luitjes bij de Telehertog en de omroep de Kersenradio omroepstichting, de Kros dus, en de Varaan. Marcel van Waterkering bezocht feestje van die man, met veiligheidsspeldconnecties. 'Het is gelogen,' verzekerde ik mijn advocaat die mismoedig voor zich uitstaarde. 'Dit mag ik zeggen,' zei Agaath verongelijkt, en ik mag ook citeren uit het studenten blad Propere Cures.' 'Uhh, het heet' trachtte ik haar te verbeteren. 'Neen,' dalfde ze onverdroten door, 'nu mag je me niet meer onderbreken Arnold, dit moet voor eens en allemalen gezegd worden, al weet ik dat je me een warhoofd vindt. Ik weet Arnold, sprong Agaath verder, waarom Edwin de Roy van Zuydenwijn is gedagvaard.' 'Ach nee,' schrokken we allebei. Welk lijntje, vroegen we ons, had Agaath aangeboord dat wij niet hadden gevonden en hoe gevaarlijk was die bom? 'Het gaat,' legde Agaath ons uit, 'om het boek van prof Derk Fasseur. Die dr. Roy van Zuydenwijn heeft ons verklapt dat hij met Josine van Santen heeft gesproken, die nota bene familie was en...' 'Ja je doet in doofpotten, of niet..', onderbrak ik dit ongelogen verhaal. Agaath kuchte luid en keek heel, heel boos, daar gingen weer wat procenten van mijn obligaties naar de dierenbescherming, dacht ik. 'En,' vervolgde Agaath toen er een pijnlijke stilte was gevallen, 'hij heeft ook met Fasseur gesproken.' 'Und er hat,' vulde ik aan om Augusteyn te gerieven, 'somaar verklapt dass Beatrix veel heeft geschrapt in sein boek.' 'Ja, het koningshuis is protestants dus echt staatsgeheim,' knikte mijn advocaat. 'Dat is helemaal een zaak van verklappen, en niet slechts van ambtelijke commentaren.' 'Ja,' reageerde mijn pleiter, 'het staatshoofd is niet slechts een ambtenaar.' 'Al dan niet van besproken gedrag,' probeerde ik tevergeefs mijn vriendin te sarren. Zonder succes echter. 'Maar ik ken het artikel,' richtte ik mij tot mijn tante. Onze dr. Edwin de Roy van Z. verklapt ondermeer: 'Van Santen heeft ons meegenomen naar het huis van de Secretaris-Generaal van Justitie, Hartkamp, om daar over de strafbare schaduw en afluisterpraktijken van de 'Benno-brigade' te praten die ons ten deel was gevallen. Bij dat bezoek kreeg Margarita, in het bijzijn van Van Santen dus, te horen dat de AIVD simpelweg zou ontkennen dat de merk-microfoons die gebruikt zijn bij het afluisteren van onze woning..' Sic Roy de Roy van Zuydenwijn. En eindigt hij dreigend: ik heb mijn Bruening-dossier bij Barend & Van Dorp geopenbaard. Dat toont onomstotelijk het SS, Gestapo en NSDAP verleden van Bernhard aan. Het boek "zur Lippe Biesterfeld" van Schrage was juist geschreven om dit verleden te verdoezelen en het blazoen van onze grootste landverrader ooit op te poetsen.' Opus citatem uit het blaadje Propere Cures. 'Nu dat is ook weer mooi afgebladderd,' zei ik. 'Dank u, tante. 'Kunnen we dat blaadje wel geloven?' vroeg mijn pleiter. 'Heb je het aan die jongen Bruening van de NVJ gevraagd?' 'Nou..', antwoordde ik, 'dat is voor jou een vraag en voor mij een weet. En ik bedoelde dit overigens meer als retorische vraag. Kijk die jongen sprak ook tijdens een opmerkelijke bijeenkomst in Utrecht, georganiseerd door 'hetkannietwaarzijn', en het is dus waarschijnlijk ook niet waar (ja, we dekken ons maar in voordat we een advocaat van de NVJ op ons zinken dak valt). De moord op Pim, meende Edwin de Roy van Z. is gepleegd door de 'binnenhofbende', en 'Al Qaeda zit ook niet achter de aanslagen van New York.' Nou ja, nog mooier. Het kan natuurlijk zijn dat ook deze berichten verzonnen zijn door de Telegraaf die, met water druipend langs de redactionele tanden, berichtte dat onze Edwin de Roy van Z. een lening bij het Bossche bankiershuis van Lanschot had afgesloten om op het niveau van de vorstin te kunnen trouwen. Een ton of twee. En nu het sprookje uit was, lalde krant, en Edwins vrouwtje-lief stampvoetend met haar poezelige Spaanse laarsjes de banden terugeiste, moest hij zelf voor de kosten van dat sprookje opdraaien. Ja, het sprookje was niet gratis, daar was geen geld voor in de kas, dus werd het bekostigd door een bankiershuis, dat vermaagschapt is met een Brabantse Koninck uit een van onze vorige afleveringen. Dezelfde Konink die met Maxima over de hei fietste (zonder, hebben we van welingelichte wandelgangen, dat de Pvda er spookte). Ze wilde niet in een tentje logeren. Huize Bergen was ver genoeg van de beschaving. En deze koninck was ook nog getuige bij een ander sprookje dat nog lang geen einde zal nemen¬°als het aan Telegraaf ligt tenminste. Om dit verhaal nu maar af te ronden, want ook sprookjes gaan vervelen, is het mogelijk, of kun je een doctor vertrouwen die niet in de Hofstadgroep en linkse complotten tegen Fortuyn wil geloven? Of heeft dit verhaal weer alles te maken met de duistere krachten rondom de Benno-brigade en geheim spelevaren op Amsterdamse grachten. Of, een andere cliffhanger, moeten we op zoek naar de German-connection? Wie er verder meer over wil horen... 'Vrienden, knikte tante Agaath relaas, jullie moet toch maar eens snel te biechten bij die leuke man, Jan Portein en die aardige Ton Biesernaat.' 'Nooit gezien,' loog ik niet, 'maar ik geloof U, tante. Ik geloof U, tante.' Waarvan acte, lezers. U behoeft onze niet tante geloven. Wij gaan er maar verder een nachtje over slapen. Uw toegenegen Arnold.

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 417, 6 oktober 2006